Palliatieve zorg begint voor de apotheek met de juiste informatie

Bij het bespreken van behandelwensen en -grenzen en zorg in de laatste levensfase, denken we al snel aan de huisarts, het ziekenhuis en het verpleeghuis. Maar ook de apotheek kan een grotere rol spelen bij proactieve zorgplanning en palliatieve zorg. “Dat kan alleen als we op tijd de juiste informatie hebben”, zegt apotheker en projectgroeplid proactieve zorgplanning Marleen Hassing.

Marleen Hassing is apotheker in Borne en vertegenwoordigt de Twentse Apothekers Organisatie (TAO-UA) binnen het project proactieve zorgplanning van Versneld verbinden.Ze vindt dat apotheken een grotere rol kunnen spelen bij de zorg voor mensen in de laatste levensfase: “Vaak worden we als apotheek pas betrokken als iemand heel ziek is. Bijvoorbeeld als er een morfinepomp nodig is of als iemand uit het ziekenhuis naar huis gaat om daar te sterven. Wij kunnen echter nog veel meer voor mensen betekenen.”

Vroegsignalering

De apotheek kan om te beginnen signaleren dát iemand in de laatste levensfase komt. “Er zijn allerlei mogelijke aanwijzingen dat iemands situatie is verslechterd. Medicijnrolzakjes die ongebruikt terugkomen. Iemand die aan de balie verward overkomt. Of een bezorger die merkt dat een patiënt thuis snel achteruitgaat”, licht Hassing toe.
Ook de apotheeksystemen signaleren afwijkingen. “Als iemand bepaalde medicatie, zoals pijnstillers, veel eerder ophaalt dan verwacht, krijgen we daarvan een melding. Dan vragen we: wat is er aan de hand? Is het gebruik veranderd? We nemen in zo’n situatie ook wel eens contact op met de arts die de medicatie voorschrijft en kunnen op die manier een signalerende rol vervullen bij proactieve zorgplanning. Bijvoorbeeld door na te vragen of de arts al een gesprek heeft gehad over iemands behandelwensen en -grenzen. We helpen dan herkennen dat het moment is gekomen om daarover na te denken en te praten.”

Beter medicatiebeleid

Zodra de apotheek weet dat iemand in de palliatieve fase zit, kan de medicatie onder de loep worden genomen, vertelt Hassing: “Is alle medicatie nog wel zinvol in de laatste fase? Zijn er middelen die gezondheidswinst op de lange termijn opleveren, maar nu vooral bijwerkingen veroorzaken? Is de pijnstilling voldoende? Is een laxeermiddel nodig bij het gebruik van morfineachtige middelen? Of middelen tegen misselijkheid? Ook de toedieningsvorm kan belangrijk worden. Wie moeite heeft met slikken, is beter af met een drankje dan een grote tablet. Ook kunnen we meedenken over incontinentiemateriaal, hulpmiddelen en middelen voor wondverzorging.”
De meerwaarde van de apotheek zit ‘m ook in praktische dingen. Medicijnen thuisbezorgen. Medicatie automatisch klaarzetten via de herhaalservice. Nog vóór het weekend controleren of er voldoende pijnmedicatie in huis is, zodat iemand niet naar de huisartsenpost of dienstapotheek hoeft. Of mensen vaste aanspreekpunten geven met het farmabuddy-systeem zoals in de apotheek waar Hassing werkt. “Wij kunnen in de palliatieve fase een vraagbaak zijn voor arts, patiënt en mantelzorgers”, vat Hassing haar rol samen. Maar dan moet de apotheek wel op tijd in beeld zijn.”

Eerder weten

Helaas blijkt dat aanhaken van de apotheek in de praktijk nog niet goed te gaan. De apotheek weet vaak niet dat de palliatieve fase bij een patiënt is ingegaan. “Bovendien zien we als apotheek ook niet alle diagnoses die iemand heeft in ons systeem staan”, legt Hassing uit. “Of iemand een oncologische aandoening heeft, is bijvoorbeeld niet automatisch bekend, net als de oncologische medicatie die iemand in het ziekenhuis krijgt. Soms kunnen we iemands situatie afleiden uit een recept of horen we het van de patiënt zelf. We vinden het ook altijd fijn als een arts informatie aan het recept toevoegt. Bijvoorbeeld dat de opiaten bedoeld zijn voor oncologische pijnklachten. Dan hoeven we geen vervelende vragen te stellen en kunnen we beter helpen.”

Digitaal beschikbaar

Binnen het project proactieve zorgplanning van Versneld verbinden wordt uiteindelijk toegewerkt naar betere digitale beschikbaarheid van PZP-gegevens. Technisch is het nog niet zover, maar intussen wordt – in samenwerking met het programma Ouder Worden Doen We Samen gewerkt aan zaken die al wél kunnen: het vergroten van awareness, scholing, het verbeteren van de datakwaliteit en afspraken over eenduidig vastleggen van wensen en grenzen.
“In Twente hebben we over het algemeen korte lijntjes tussen apotheek en huisarts, maar voor goede ketenzorg is dat niet genoeg. Goede digitale gegevensuitwisseling moet ervoor zorgen dat relevante informatie uit alle zorgsectoren met de patiënt meebeweegt. Relevant betekent dus ook dat ik als apotheker niet hoef te weten of iemand wel of niet gereanimeerd wil worden. Maar wel weet ik graag in welke fase iemand is zodat ik zorg en ondersteuning kan bieden”, benadrukt Hassing. Ze doet daarom een oproep aan alle artsen in de regio: “Informeer de apotheek als een patiënt in de palliatieve fase komt. Dat kan nu al heel eenvoudig, namelijk met vrije tekst op een recept. “Als wij lezen ‘Palliatieve fase is gestart, dan kunnen we mogelijk veel voor mensen betekenen.”
Interview Marleen Hassing - Grotere rol apotheek bij palliatieve zorg en proactieve zorgplanning